Harmonische spekkoek, Georgische supra's en partytenten vol virtuositeit
Dit was de zondag van het Leidse Hofjes Festival 2026
Overal in de oude binnenstad van Leiden vind je hofjes. De meeste loop je ongemerkt voorbij en als je al zou weten waar de voordeur is, blijkt deze vaak op slot. Tijdens het Leidse Hofjes Festival kun je twee dagen lang deze prachtige plekjes bezoeken om daar te genieten van allerlei concerten. Je kunt je laten verrassen door een breed scala: je kunt er genieten van jazz, wereldmuziek, klassiek, dans en poëzie en zelfs kindervoorstellingen. Dit jaar was het uitzonderlijk warm, maar dat mocht de pret niet drukken. Onder luifels en partytenten vond er een wederom een mooi bezocht festival met geweldige artiesten plaats.
Djoeke - Sint Maartenshof
Het Sint Maartenshof is bijvoorbeeld zo'n prachtige plek in de binnenstad van Leiden, met zijn mosterdgele muren en verrassend koele wandelgang. De akoestiek wordt getest door een niesende meneer, die nuchter constateert dat er hier een mooie galm is. Een perfecte setting voor zangeres Djoeke en haar pianist. Djoeke is weliswaar een Friese dame, maar brengt chansons ten gehore alsof ze geboren werd aan de Seine. Haar stem zweeft over de urban jungle van het hof waarachter we haar verscholen zien, één wordend met het fijnstof van de stad. Van haar tere kopstem wil je spontaan een Gauloises opsteken. Djoeke bewijst ook bij bijvoorbeeld Michel Legrands intieme 'La Valse de Lilas' dat "gesticulatie" een Frans leenwoord is, en aait correlerend aan haar frasen de van warmte trillende lucht. Het publiek, overwegend in bloemetjespatroon en met nadenkvinger op hun kin, slaakt een zucht wanneer ze de klassieker 'La Vie en Rose' aankondigt. Gestild van innerlijke dorst bewegen monden zachtjes mee op de woorden die we kennen sinds Edith Piaf ze zong; Djoekes stem klinkt nu op een bloemenzee van piano, gemurmer en geneurie. Het nummer is misschien een wat uitgemolken klassieker, maar de zangeres weet toch een eigen versie ervan te maken, door bijvoorbeeld zinnen als "[...] mon cœur qui bat" in meer staccato te zingen dan hoe we het kennen. Het lied raakt opzwepender, de piano klinkt kietelig - een uitgerekt applaus is de conclusie. (YvdR)
Matthijs van Delft - Sint Jacobshof
Gezicht vol emotie, lichaam zonder zichtbare spanning
De gitaarkoffer en een gitaarhoes van Matthijs van Delft liggen er klaar voor in het St. Jacobshof. Het publiek is meteen in de greep van de muziek; ondanks de hitte onder de tent waar we zitten.
Het optreden begint met prelude nr. 1. van Villa-Lobos. Matthijs benadert het stuk als een groots verhaal. Geen wonder dat iedereen zo vol aandacht de muziek volgt. Het valt me op dat, hoewel zijn gezicht vol emotie is, zijn lichaam zonder zichtbare spanning lijkt te zijn. Zijn gitaar rust op zijn bovenbenen terwijl zijn handen met weinig moeite over de hals bewegen.
Het tweede stuk is een wat Turks klinkende suite in vier delen. Het gaat van een meditatieve opening, via een complex gedeelte via een poëtisch en dan een snel stuk, om weer naar het meditatieve begin terug te keren. Matthijs speelt dit stuk heel lyrisch met veel aandacht voor verschillen in zijn aanslag. Hij speelt soms heel dicht tegen de kam aan en dan weer hoog op de hals. Gecombineerd met snelle complexe arpeggio's geeft dat een indrukwekkend resultaat. Het stuk kent veel herhalingen, die door de verschillende klankkleuren die Matthijs aanbrengt toch steeds weer een eigen karakter krijgen. Het stuk eindigt met een paar stevige en lekker rauwe rasgueado's: een soort ratelende harde slagen, die heel kenmerkend zijn voor Spaanse gitaarmuziek.
De afsluiter is ’Asturias’ van Albeniz, die, zoals ondertussen te verwachten is, zeer kundig wordt neergezet. Het plezier straalt van Matthijs zijn gezicht af, evenals de ernst en de toewijding waarmee hij stuk aan ons brengt.
Na het optreden spreek ik de twintigjarige Matthijs nog even. We hebben het over klassieke gitaarmuziek en het studeren daarvan. Ik ben even flink verbaasd als ik ontdek dat deze getalenteerde jongeman na het afronden van het conservatorium, verder gaat met een studie bedrijfskunde. Toen ik mij van te voren inlas in zijn cv was ik onder de indruk van zijn vele interesses en wapenfeiten. Hij speelde al op allerlei evenementen en podia waar niet zomaar iedereen belandt. Als we het over talenten op vele vlakken hebben en wat die met elkaar doen, vertelt Matthijs dat daar inzichten uit kunnen vloeien over bijvoorbeeld structuur en 'taal' die universeel zijn. Die gelaagdheid is in zijn spel goed terug te horen en toont zich bijvoorbeeld ook in een muziekstuk dat hij een paar jaar geleden samen met zijn zus Adinda schreef waarin onder andere hun Indonesische roots een rol spelen.
Met al deze verzamelde bagage meent Matthijs dat, hoewel gitaarspelen hem heel gelukkig maakt en hij die liefde graag deelt met een publiek, hij voor zichzelf toch een andere plek ziet in de samenleving. Opvallend is dat hij er meerdere malen op wijst dat zijn (twee jaar jongere) zus wel heel zeker van plan is als muzikant de wereld in te gaan. Dat betekent dat wij in de toekomst deze Adinda van Delft goed in de gaten moeten gaan houden. En ik hoop Matthijs toch nog eens ergens op te zien treden... (StN)
Hessel Moeselaar - Barend van Namenshof
Hypnotiserend geluidszwembad
Hessel mag optreden in het Barend van Namenshof; een intiem, klein hofje. De bewoners hebben een minicafé gemaakt voor de regentenkamer. Het is er een gezellige boel, maar als Hessel mag beginnen wordt het heel stil. Het valt me op dat er deze editie weinig vliegverkeer is. Dat scheelt een hoop storend lawaai, zeker bij dit soort introvertere acts.
Hessel vraagt ons de ogen te sluiten. De tonen van zijn 'Moog'-modular-synthesizer vormen samen met zijn hypnotiserende 'geloopte' vioolspel een uitstekend samenspel. Vooral de combinatie van 'viool-loop' en 'direct vioolspel' geeft een mooie spanning. De akoestiek van het hofje voegt beide samen zonder de directheid van het live-spel te ondermijnen.
Voor hij van start ging, liet Hessel weten dat ieder nummer ook een min of meer geïmproviseerd deel heeft, afhankelijk van het publiek, de ruimte of beschikbare apparatuur.
De synthesizer voelt als een springplank voor een muzikale viool-zwemtocht. Soms is dit geluids-zwembad gevuld met een autoarpeggio, soms met een zware drone. Die laatste is vrij pittig en zelfs wat onaangenaam. Hoe hypnotisch Hessels klanken ook kunnen zijn, zijn muzikale universum is geen sprookjeswereld.
Met een stukje pizzicato opent een stuk waarin mineur-lijnen gestapeld worden tot een melancholisch geheel. Als het muziek-bouwwerk staat, kan Hessel de viool loslaten om aan de knoppen te draaien en naar het volgende stuk toe te werken.
Er volgt een meer feeëriek stuk. Er klinkt rust en ook verdriet in door. Een storende tegenbeweging geeft aan dat rust altijd een einde kent. De vioolpartij wordt langzaam maar zeker steeds intenser om uiteindelijk uit te sterven in een lange klagelijke boventoon,
Dan wordt het laatste nummer ’Overtime’ aangekondigd. Ook dit nummer blijkt een met slimme loops opgebouwde harmonische spekkoek. Nadat Hessel zijn viool weglegt, draait hij één voor één lagen weg. De hoogste lagen blijven het langste lopen, niet meer gedragen door een fundering, waardoor een prachtig vervreemdend effect ontstaat.
Het is een verstild en wat verwarrend einde van een voorstelling die veel open laat om later op terug te zien.
Na het concert legt Hessel me uit dat hij vandaag speelde met een minimale set-up waarin de nadruk vooral op de viool lag. De hofjesconcerten hebben vooral een 'klassiek' thema waar hij aansluiting bij wilde vinden. Als hij echter in clubs of in theaters optreedt, speelt hij graag ook meer uptempo en met een flinke dosis elektronica.
Die elektronica bedient hij het liefst met knoppen, jacks en schuiven. Laptops bevallen hem matig en geven hem minder connectie met het publiek.
Overigens speelt hij ook veel in een groep die 3Violas heet en die alles akoestisch speelt. Want ook dat vind hij een prachtige wijze van muziek maken.
Over de optredens in theaters legt hij uit dat theatermaker Achmed Dhu Amsha hem gevraagd heeft diens huidige voorstellingen over de oorlog in Gaza en het lot van de Palestijnse bevolking muzikaal te ondersteunen.
Ik vraag Hessel naar de relatie tussen zijn hang naar experimentele muziek met crossovers en zijn klassieke conservatorium-opleiding. Hij legt uit dat na zijn afstuderen, het vrij snel duidelijk was dat hij geen orkest-carrière ambieerde. Met muzikanten als Maarten Vos en Nils Frahm als inspiratie wilde hij een andere kant op. Zijn oorspronkelijke inspiratie om viool te gaan spelen was oorspronkelijk al niet vanuit klassieke muziek gevoed, maar vanuit liefde voor Midden-Europese, Balkan en oosterse stijlen, met Roby Lakatos als grote held.
Mede vanuit die laatste interesse speelt Hessel regelmatig met 'het Amsterdams Andalusisch Orkest': een orkest waarin muzikanten uit Europa, Noord-Afrika en het Midden Oosten elkaar vinden. Hessel benadrukt dat deze internationale wereld hem de ogen heeft geopend voor de overweldigende veelheid aan menselijk perspectief, niet alleen voor wat betreft muziek maar ook voor geschiedenis en de politiek.
Het is een mooi inspirerend gesprek met een gedreven muzikant die medemenselijkheid en muzikaliteit over landsgrenzen heen tilt, zonder in zijn muziek een moreel oordeel op te dringen. (StN)
Prinses Christina Concourswinnaar - Tevelingshof
Jacob Callot/ Mirala Kwartet
In de categorie "je ziet nog eens wat" is daar dan ook het Tevelingshofje, een onverwachte plek bij de (maar liefst) 4e Binnenvestgracht. Wederom worden we bij de neus (of oren) genomen, en dat begint al buiten het hofje: volwassen klanken van een strijkkwartet kietelen onze trommelvliezen. Verbluffing volgt bij binnenkomst wanneer je onder de partytent vier jonge jongens ziet. Het is het Mirala Kwartet van Jacob Callot, winnaar van het Prinses Christina Concours. Hun snaren klinken getergd, alsof ze al een heel leven erop hebben zitten en nu worden ingedrukt door rimpelige vingers vol met eelt. Het viertal is als de Old Amsterdam van de klassieke muziek: je weet heus wel dat het niet zo oud is, maar waarom smaakt het dan toch zo? Muzikaliteit kan, in tegenstelling tot smaak, niet geveinsd worden met een enzym. Jacob en zijn kornuiten geven het publiek onder andere een Astor Piazzolla cadeau: het 'Winter' uit diens 'Vier Jaargetijden in Buenos Aires', herschreven voor kwartet. De signatuur van de Argentijnse componist is meteen duidelijk: lange, lyrische lijnen waarin de muzikanten alles kunnen leggen, afgewisseld met een drama dat geuit wordt via intense virtuositeit. Soms worden deze twee gezichten gecombineerd, bijvoorbeeld wanneer de altviool de melodie strijkt, en de rest begeleidt in zestienden die vloeien als smeltende gletsjers. Het viertal breekt uit in een canon van gepluk, volgt elkaar op in pizzicato en maakt zichzelf in dit Leidse Hofjesfestival een onsterfelijke herinnering. (YvdR)
Ketevan Roinishvili Kwartet - Heilige Geesthofje
De vogels tjilpen ons gewillig tegemoet bij binnenkomst bij het Heilige Geesthofje, één van de moderner gebouwde hoven van de stad, daterend uit de jaren 1920. In het pinksterverhaal speelt de Heilige Geest een hoofdrol, en deze pinksterzondag wordt ze bestierd door het kwartet van artist in residence Ketevan Roinishvili, een Georgische celliste. Ook haar laatste set is een grote publiekstrekker: elke centimeter schaduw is bezet door een bezweet mensenlijf. Vrijwilliger Jos is onze ceremoniemeester van dienst tijdens deze "supra", een traditioneel Georgisch feest, en kondigt het kwartet aan, bestaande uit de cello, elektrische gitaar, panduri en percussie, al dan niet versierd met verlichting. Na een opening met een zelf gearrangeerde Georgische dans spelen en zingen Ketevan en de pandurist samen een lied van twee hardwerkende ossen in een Kaucasisch gebergte. De set, verder bestaande uit onder andere solostukken voor cello en wiegeliederen, wordt soms bruut onderbroken door een carillon, overvliegende luchtvaartuigen, hitsige vogels, of allemaal tegelijk. Voor een kwartet speelt het ensemble weinig kwartetmuziek, maar de sonore celloklanken maken veel goed. Het spel van Ketevan is virtuoos, bijvoorbeeld in een solostuk van Spaanse componist en cellist Gaspar Cassadó, waarbij ze ons vraagt of we de gelijkenissen horen met de eerder gespeelde Georgische muziek. De cello lijkt in dialoog te zijn met zichzelf, vermengt lange lijnen met gepluk, en verkent alle dimensies binnen de cello. (YvdR)
Dmytro Tishyn en Leander van Damme - Sint Bethlehemshof
Het Hofjesfestival brengt je, naast muzikale vergenoeging, verlichting voor je binnenstedelijke Wanderlust, wat des te meer ontspruit wanneer je met je stoute schoenen net dat stukje verder wandelt. Buiten de periferie van het festival vind je bijvoorbeeld het Sint Betlehemshof, een plek waar je normaal langs raast richting Plantsoen, of waar je hoogstens op uitkijkt als je op de hoek ertegenover een portie kibbeling oppeuzelt, maar vandaag een podium voor klassieke muziek. Voor het zicht binnen het hof hoef je eigenlijk niet naar binnen: eenmaal gezeteld heb je keuze uit welig tierend groen, of een monumentale waterpomp. Of, met wat extra moeite, had je deze pinksterzondag Dmytro Tishyn en Leander van Damme kunnen zien.
Gelukkig zijn we (vaak) met meer zintuigen dan alleen zicht bedeeld, en kunnen we luisteren naar dit duo, bestaande uit fagot en gitaar. Dmytro vluchtte op zijn vijftiende uit Oekraïne, reisde met zijn fagot onder andere langs New York, om nu te studeren aan het Haagse conservatorium. Daar leerde hij Leander kennen, een Leuvenaar, die klassiek gitaar studeert. Op het eerste oog wellicht een onverwachte combinatie van instrumenten, maar niet voor Dmytro, die uit de schoot komt van zo'n zelfde duo: hij treedt in de voetsporen van zijn vader, eveneens fagottist, en gitaarspelende moeder.
Alsof het nog niet warm genoeg was, vangen ze hun set aan met een stuk van Astor Piazzolla, de Argentijn die met zijn versmelting van volksmuziek en klassiek de zogenoemde tango nuevo op de kaart zette. Het stuk is oorspronkelijk voor fluit en gitaar, en werd in fasen geschreven - tussen de delen die ze ten gehore brengen zit maar liefst dertig jaar tijdsverschil. De fagot zwelt aan, Dmytro weet zelfs in zijn zachtste klanken doortastend te zijn. De melodie begint in lange lijnen, en contrasteert met de later opzwepende zestienden, in zowel fagotspel als Leanders begeleiding. De jongens kijken elkaar aan, het stuk slaat even om in majeur. Dmytro neemt ons allemaal compleet in de maling, en laat het lijken alsof de fagot een makkelijk hanteerbaar instrument is, dat altijd zuiver is en waarop vooral zachte noten prima te doen zijn. Leander speelt vol souplesse, en houdt zijn duetgenoot en diens timing nauwlettend in de gaten. Dmytro zelf speelt met zijn ogen dicht. De tango, soms grillig en vurig, dan weer zangerig en melancholisch, heeft geen zicht nodig, alleen de nuancering en het vernuft van deze twee jonge Het Hofjesfestival brengt je, naast muzikale vergenoeging, verlichting voor je binnenstedelijke Wanderlust, wat des te meer ontspruit wanneer je met je stoute schoenen net dat stukje verder wandelt. Buiten de periferie van het festival vind je bijvoorbeeld het Sint Betlehemshof, een plek waar je normaal langs raast richting Plantsoen, of waar je hoogstens op uitkijkt als je op de hoek ertegenover een portie kibbeling oppeuzelt, maar vandaag een podium voor klassieke muziek. Voor het zicht binnen het hof hoef je eigenlijk niet naar binnen: eenmaal gezeteld heb je keuze uit welig tierend groen, of een monumentale waterpomp. Of, met wat extra moeite, had je deze pinksterzondag Dmytro Tishyn en Leander van Damme kunnen zien.
Gelukkig zijn we (vaak) met meer zintuigen dan alleen zicht bedeeld, en kunnen we luisteren naar dit duo, bestaande uit fagot en gitaar. Dmytro vluchtte op zijn vijftiende uit Oekraïne, reisde met zijn fagot onder andere langs New York, om nu te studeren aan het Haagse conservatorium. Daar leerde hij Leander kennen, een Leuvenaar, die klassiek gitaar speelt. Op het eerste oog wellicht een onverwachte combinatie van instrumenten, maar niet voor Dmytro, die uit de schoot komt van zo'n zelfde duo: hij treedt in de voetsporen van zijn vader, eveneens fagottist, en gitaarspelende moeder.
Alsof het nog niet warm genoeg was, vangen ze hun set aan met een stuk van Astor Piazzolla, de Argentijn die met zijn versmelting van volksmuziek en klassiek de zogenoemde tango nuevo op de kaart zette. Het stuk is oorspronkelijk voor fluit en gitaar, en werd in fasen geschreven - tussen de delen die ze ten gehore brengen zit maar liefst dertig jaar tijdsverschil. De fagot zwelt aan, Dmytro weet zelfs in zijn zachtste klanken doortastend te zijn. De melodie begint in lange lijnen, wat contrasteert met de later opzwepende zestienden, in zowel fagotspel als Leanders begeleiding. De jongens kijken elkaar aan, het stuk slaat even om in majeur. Dmytro neemt ons allemaal compleet in de maling, en laat het lijken alsof de fagot een makkelijk hanteerbaar instrument is, dat altijd zuiver is en waarop vooral zachte noten prima te doen zijn. Leander speelt vol souplesse, en houdt zijn duetgenoot en diens timing nauwlettend in de gaten. Dmytro zelf speelt met zijn ogen dicht. De tango, soms grillig en vurig, dan weer zangerig en melancholisch, heeft geen zicht nodig, alleen de nuancering en het vernuft van deze twee jonge mannen. Ze vervolgen hun set met de welbekende 'Pavane' van Gabriel Fauré, waarvan het arrangement afkomstig is van Dmytro's vader; geschreven voor hem en zijn vrouw. Zelfs in het hogere octaaf weet de fagot zich ijzersterk staande te houden. We doen weer een stap terug in de tijd, met een bewerking van het fagotconcert van Carl Maria von Weber, waarbij de gitaar kundig de rol van volledig orkest op zich neemt. Leander weet de contrasten die, veelal zonder aankondiging, binnen het orkest variëren van zacht naar hard, goed te vertalen uit zijn eigen klankkast. Dmytro zwiert lenig eroverheen. (YvdR)