Grenzeloos, bovenaards en interdisciplinair

Dit was de maandag van het Leidse Hofjes Festival 2026

-
  • Yavne van der Raaf
  • Sander ten Napel
  • Alex Sinke

Zeg je Pinksteren in Leiden, zeg je Leidse Hofjes Festival. Ook op de pinkstermaandag openden hofjes, maar ook verschillende kerken en het Volkshuis hun deuren om muziekliefhebbend publiek te ontvangen. Of je nou houdt van strijkers, blazers, percussie, zang of een combinatie, of je bekende klassiekers wil horen, je wil onderdompelen in wereldmuziek of gewoon een mooie plek wil bezoeken; er was ook deze editie voor ieder wat wils. 3voor12 Leiden ging mee op pad en liet zich op allerlei plekken verwonderen.

ADAM Quartet ft. Elisabeth Hetherington - Volkshuis

-
© Alex Sinke Photography

Unheimische wouden en jungles

De klassieke theaterzaal van het Volkshuis aan de Apothekersdijk, compleet met rode gordijnen, is duister, behalve de belichting op vier lege stoelen. Erachter hangt een projectiescherm. Voor hun programma 'Future Echoes' heeft het ADAM strijkkwartet zichzelf verbonden aan sopraan Elisabeth Hetherington, en weven ze verschillende eeuwen muziek aan elkaar. Je vraagt je af waarom het geprogrammeerd staat onder het kopje "Explore", al hoef je niet lang op dat antwoord te wachten.

De grote ballen om de stoelen gaan aan: het blijken lampen. Het kwartet begint te spelen in wringende noten, terwijl we op de projectie water met gouden schittering zien. We horen het tweede strijkkwartet van Arnold Schönberg, dat buiten het unheimische notenbeeld ook opvalt door de toevoeging van een vijfde stem vanaf het derde deel, de sopraan. Elisabeth zingt met dezelfde sterkte als de strijkers, waardoor ze onderdeel wordt van het geheel, in plaats van een uitgesproken solist. Tussen alle delen/ stukken door horen we geluiden als donder en bliksem, die nog meer helpen om je onder te dompelen in de wereld waarvan we drie kwartier onderdeel zijn. Het kwartet lijkt een landschap op te bouwen dat voelt als bomen die steeds dichter op je afkomen. Vooral het vierde deel van Schönberg, waarin de strijkers met demper spelen, voelt alsof je in dat bos ook nog eens spinnenwebben in je gezicht krijgt. De stemmen krioelen over elkaar heen, om na beweging en verstilling uit te komen in een onverwachts majeurakkoord. 

Het kwartet brengt ook nieuw werk van de Sri Lankaanse componist Vinthiya Perinpanathan ten gehore, dat begint met snarengepluk binnen de vier strijkers. Bij elkaar klinkt het als een combinatie van een harp en regen. De Aziatische invloeden komen rijkelijk naar voren, vooral wanneer de cello aan een lyrische melodie begint, die zijn echo vindt bij de eerste viool en altviool. De tweede viool stopt uiteindelijk ook met haar pizzicato en gaat mee in de harmonie. Uiteindelijk komt Elisabeth, de vijfde stem, na natuurgeluiden als krekels en vogels weer het podium op. De geluiden zou je eigenlijk als zesde stem van het geheel kunnen zien - het bos dat Schönberg bouwde, is tropisch regenwoud geworden. Zowel strijkers als sopraan hebben wat ongewone elementen binnen hun partij, zo worden er verschillende effecten gecreëerd met strijkstokken en snaren, en fluistert en sist Elisabeth er af en toe op los. In al zijn vervreemdende ijzigheid is deze "Explore" goed geslaagd. (YvdR)

Ardemuskwartet - Brouchovenhof

-
© Alex Sinke Photography

Tijdloos omver geblazen

Bij aankomst in het Brouchovenhof, aan de Papengracht, is het meteen drommen geblazen in de entree. Laat dat blazen echter maar aan het Ardemus Saxofoonkwartet over: ze laten je niet alleen de mogelijkheden van hun instrumentarium horen, maar óók van verschillende muziek. Een korte geschiedenisles: binnen de klassieke wereld is de saxofoon een van de modernste aanwinsten, sinds ongeveer half negentiende eeuw - alle muziek van voor die tijd is dus niet oorspronkelijk voor het instrument geschreven. Dat betekent echter niet dat de combinatie van een modern instrument met oudere muziek, zoals die van Hildegard von Bingen, niet werkt! Het oeuvre van de middeleeuwse Hildegard, de oudst bekende vrouwelijke componist, past perfect binnen het programma 'Yes, she can!' van Ardemus, waarin ze onderbelichte verhalen van bewonderenswaardige vrouwen binnen de klassieke muziek vertellen, in een afwisseling tussen muziek en poëzie.

Het kwartet, bestaande uit sopraan-, alt-, tenor- en baritonsax, begint met drie delen van Hildegard. In plaats van in het Brouchovenhof wanen we ons, walsend en rondedansend, aan een adellijker hof. De vier saxofoons buigen organisch richting elkaar, mee met de muziek. We vervolgen een behoorlijk stuk moderner, met muziek van Philip Glass. De saxofoonklanken weven perfect door elkaar heen, kabbelen af en aan, en terwijl je eigen adem stokt valt het op dat deze muzikanten, zelfs in deze hitte, oneindige luchtcapaciteit lijken te hebben. Tijdens een meditatiever stuk, dat al in een lange baritontoon begint tijdens een gedicht, speelt ineens de wind op. Tussen het ritselen van de blaadjes door horen we de stemmige melodie in de tenorsax, die later wordt bijgestaan door de sopraan.

Één van de bekendste vrouwen binnen de klassieke muziek is Clara Schumann, die niet mag ontbreken in dit repertoire. Haar man, Robert, stond jarenlang in haar schaduw - zelfs in dit weer benijden wij hem niet. In een fuga, waarin de stemmen elkaar opvolgen, etaleert telkens een andere saxofoon het thema in de lopende noten. De baritonsax test even het zeventiende-eeuwse metselwerk van het hof met zijn ronkend lage noten. Ook in het stuk van Mendelssohn, dat eveneens uitmondt in een fuga, weten de blazers kleurpaletten aan te snijden die totaal niet onderdoen aan strijkers. (YvdR)

Bruckner Quartet - Heilige Lodewijkkerk

-
© Alex Sinke Photography

De uitstorting van de Heilige Geest

Een nieuwe concertlocatie binnen het Hofjesfestival is de Heilige Lodewijkkerk aan het Steenschuur - een katholieke kerk waarvan na de befaamde Leidse buskruitramp van 1807 alleen de toren overeind bleef. Jan Giudici ontwierp het nieuwe interieur, dat vooral te omschrijven is als classicistisch, vol zuilen en bovenal erg wit. Tussen verschillende heiligen en Jezus' kruisweg wachten we op het Bruckner Quartet, een trombonekwartet dat vandaag op drie verschillende plekken speelt. (Niets is namelijk zo fijn als met je trombone wandelen in de brandende zon.) De heren mogen niet vanaf het altaar spelen, dus besluiten op het balkon plaats te nemen om "respectvol om te gaan met de heiligheden van de kerk". Het publiek, nu met hun rug naar de muzikanten, besluit zich blasfemisch om te keren in de kerkbanken.

Sebastiaan Kemner, begenadigd trombonist én artistiek leider van het LHF, praat de stukken aan elkaar. Wat blijkt: de muzikanten hebben zelfs meerdere instrumenten bij zich. Bij hun eerste stuk, het oorspronkelijk gezongen 'Locus Iste' van Anton Bruckner, pakt Sebastiaan de alttrombone, een kleinere variant van de "standaard" tenortrombone, nu bespeeld door Daniel Quiles Cascant die speciaal voor het festival naar Nederland gevlogen is. Jeffrey Kant doet de bastrombonepartij, Marijn Migchielsen de contrabastrombone - "lekker ronken, het leukste wat er is." De vier heren kennen elkaar nog van hun studie aan het conservatorium en spelen sindsdien graag samen.

Weinig huwelijken zijn zo succesvol als dat tussen Bruckner en de trombone. De bijna architectonische stijl van de componist en het vaak pompeuze karakter van zijn werken lenen zich perfect voor het instrument. 'Lopus Iste' maakt dat meteen duidelijk: magistraal echoën de koperklanken tussen de witte muren van de kerk. Bruckners 'Ave Maria' laat de kerkbanken trillen onder onze voeten. De trombone valt onder de familie van scherp koper, maar laat je niet foppen: het instrument bevat zoveel romigheid, de klanken van het viertal hebben geen hitte nodig om samen te smelten. Al Maria groetende stijgt de melodie, alsof het Hemelvaart is in plaats van Pinksteren. "Toch leuk spelen in zo'n kerk!" roept Sebastiaan ons achteraf toe.

Terwijl achter hem gewisseld wordt van instrumentarium, kondigt hij een stuk van de Nederlandse Sweelinck aan: 'Mein junges Leben hat ein End'. Wederom zijn alle schuif-verschuivingen geraffineerd en secuur, met nul uitglijders. De trieste melodie vult de kerk, licht gloort door de ramen. Tijdens de Franse dansen van Praetorius dansen de noten juist weer hupsend en elegant langs ons heen. Het kwartet eindigt met 'Nachspiel' van Bruckner, origineel voor orgel. "Hij had natuurlijk nog niet bedacht dat het nog mooier kon zijn op trombone." 

Eenmaal buiten schrijft uw redacteur nog één ding op. "Volgens mij heb ik net God gezien. Ze is een trombonekwartet." (YvdR)

Ear to the Earth - Sint Jacobshof

-
© Alex Sinke Photography

Luisteren naar een hofje

Onder de partytent staat een vibrafoon klaar. Ik word begroet door Porter Elleman (percussionist en dus de bespeler van het prachtige instrument). Ik krijg meteen een mooie uitleg over het verschil met de xylofoon en de marimba: de vibrafoon is per definitie een metallofoon (van metaal dus) en xylofoon niet. Daarbij heeft vibrafoon een extra plaat onder de klankstaven die een mooie extra klank geeft (vandaar de naam) en met een pedaal is deze te dempen.

Onder de tent blijken nog veel meer instrumenten te liggen. Behalve een (kinder-)piano zijn trommelstokjes, stukjes hout en metaal, kommetjes en schaaltjes wanordelijk over de grond verspreid. Ook onder de stoelen van het publiek liggen voorwerpen die geschikt zijn als percussie-instrument.

Porter en een andere muzikant komen op. Een stemopname, zo te horen specifiek voor deze locatie gemaakt, spreekt ons toe. De muzikanten beginnen op de vibrafoon te spelen. De andere twee muzikanten voegen zich bij hen. Het spel mengt zich met een drone uit de speaker.

De drone zwakt af en er komt weer een stem uit de speaker. De vibrafoon zwijgt. De muzikanten beginnen de percussie-objecten uit te delen en geven zelf een ritme aan. Het publiek neemt dit over. De piano zet een melodie in, waarna de vibrafoon weer tot leven komt. Daarna komen er een dwarsfluit en een viool bij. Dit muziekbeest vult het hofje enige tijd, maar dan stoppen de muzikanten met spelen en wordt het publiek tot stilte gedirigeerd.

De instrumenten worden er weer bij gepakt. Er volgt een heel breekbaar stuk vol dissonanten dat zich met straatgeluiden uit de speaker mengt. De uitnodiging van de speakerstem om te luisteren strekt zich uit tot ver buiten het hofje.

In het publiek zie ik betrokken luisteraars - velen met de ogen dicht - maar ook enkele moeilijke blikken. De muzikanten stoppen één voor één terwijl zij om elkaar heen sluipen en het spelen moeilijk maken. Alleen de violiste weigert op te geven, maar wordt daartoe gedwongen door haar collega-muzikanten. En dat is meteen ook het einde van de voorstelling.

We moeten even terugkomen uit een wereld van geluid en luisteren. Velen kijken nog wat verward. Ik hoor iemand in het publiek na enige twijfel een vaststelling uitspreken: "Dit is kunst.” Het klinkt mij wat zoekend naar duidelijkheid, maar ik moet hem gelijk geven. Deze muziek is zeker kunst en dan vooral multi-disciplinair. Er is een theater-element waarbij het publiek tot muzikant wordt gemaakt, de geluiden van een dag eerder nemen deel en de muzikanten spelen met steeds andere posities in de ruimte en benaderen elkaar ook als acteurs.

Violiste Ruth Maureen is zo goed enige toelichting te geven.

Ze vertelt dat dit stuk afgelopen september is gemaakt voor het Gaudeamus-festival, een Utrechts festival voor jonge muziekpioniers. Het had wel een iets andere vorm. Er werd door de mensen uit de buurt aan meegewerkt en er werd een muzikale boom van straatafval gebouwd. Iedere incarnatie van het stuk heeft unieke aspecten die samenhangen met de locatie en de context.

De naam van het ensemble verraadt direct een grote betrokkenheid bij de consequenties van de klimaatcrisis. Ruth laat echter duidelijk weten dat Ear to the Earth deze drijfveer niet als een propaganda-toeter wil uitdragen, maar tot een open en uitdagende muzikale ervaring wil omvormen.

De muziekstukken die we gehoord hebben zijn speciaal geschreven voor Ear to the Earth, dat graag samenwerkt met componisten die door hun boodschap geïnspireerde stukken schijven. Zo ontstaat er muziek waarin deze jonge muzikanten - die elkaar overigens allen kennen van de studie 'hedendaags klassiek' - samen met vernieuwende componisten een avant-garde vormen die onze oren naar de aarde laten luisteren. (StN)

Lyrata - Pieterskerk

-
© Alex Sinke Photography

Reageren op elkaars ademhaling

Heftige orgelklanken komen mij tegemoet als ik wat te vroeg in de Pieterskerk arriveer, waar straks het optreden van Lyrata plaats zal vinden. Dit is een ensemble van vier viola da gamba-spelers.

Bij aanvang het optreden vertelt Stefan Woudenberg (die speler van de bas-viola) dat gezien de hoge temperatuur de instrumenten tussen de muziekstukken door vaak opnieuw gestemd zullen moeten worden. Hij kondigt aan dat wij veel stukken van Engelse componisten zullen horen (waaronder van Purcell), afgewisseld met stukken van Erik Satie. Een bijzonder combinatie.

Als eerste horen we 'oude muziek'. De vier viola's spelen in dit polyfone stuk allen hun eigen lijn. Deze lijnen lijken soms langs elkaar te lopen, maar vinden elkaar op essentiële momenten. Tussen deze momenten is er alle ruimte voor rust en introspectie. Heel anders dan ik verwachtte, zijn er relatief weinig ligaturen (overgebonden noten) en coloraturen (een soort speelse ad libs). De noten zijn stellig, maar ook een soort bescheiden. Later lichten de leden van Lyrata dit toe. Hun keuze was om een melancholische set te spelen en de uitvoering volgt dat streven. Hoewel de muziek toestaat deze erg te versieren en op te leuken, is het me meteen duidelijk dat in dit geval niets zou toevoegen. Stefan legt uit dat iedere uitvoering ontstaat in reactie op de andere muzikanten en dat er geen afspraken vooraf zijn over de exacte uitvoering. Dat verklaart meteen ook de bijzonder levendigheid van de muziek, hoewel de basis ervan keurig is vastgelegd in een partituur.

Maar weer even terug naar het optreden zelf: we zijn ondertussen aanbeland bij een bewerking van een stuk van Satie. Het is heel bijzonder om te ervaren hoe goed deze ‘Gnossienne’ zich leent voor de viola da gamba. Het publiek is muisstil. Veel ogen zijn gesloten en iedereen gaat op in de muziek, die door de akoestiek van het Pieterskerk-middenschip prachtig wordt gedragen.

Ik heb mijn ogen open. Uiteraard omdat ik aantekeningen maak, maar ook om me te vergapen aan de prachtige en ook wat raadselachtige instrumenten. De 'viola’s’ hebben in tegenstelling tot de moderne viool fretten en meer snaren dan je zou verwachten: zes. Ze worden ze op de schoot gezet en niet van boven af, maar van voren aangestreken. Sommige koppen zijn gesneden tot schitterende vrouwenhoofden en één viola heeft een hals die ingelegd is met complexe bloemmotieven. Bij navraag blijkt dat dit allemaal zorgvuldig nagebouwde replica's zijn.

Gelukkig mag ik na dit prachtige concert nog even spreken met de leden van Lyrata. Ik vraag onder andere hoe zij hun samenspel timen zo zonder dirigent. Het antwoord is dat zij goed naar elkaar kijken, maar vooral reageren op elkaars ademhaling. Als iemand inzet, reageert Lyrata als één organisme.

Een ander ding waar ik heel benieuwd naar ben, is hoe het kan dat er zowel muziek in de oude stemming als in de moderne (uit de tijd van Ludwig von Beethoven) afwisselend gespeeld worden. Deze verdragen elkaar namelijk slecht omdat een 'hele toonafstand' net iets verschilt in beide systemen. Het blijkt dat dat een kwestie is van iedere noot een beetje te 'tweaken' door een snaar iets meer spanning te geven middels de druk op de fret of met de boog net iets aan te passen. Ik vind het als leek krankzinnig knap, maar voor dit gezelschap is blijkbaar aan de orde van de dag.

Het (blazers)gezelschap van het Bruckner Quartet komt aangelopen en moet het podium gaan inrichten. Met een mooie herinnering aan de klanken van Lyrata verlaat ik de Pieterskerk.

N.B. Lyrata trad op zondag, naast de Pieterskerk, ook in het Groot Sionshof op. Daarom zien de foto's er zo onkerkelijk uit. (StN)

Osama Meleegi - Sint Salvatorshof

-
© Alex Sinke Photography

Familie, vrienden en traditie

Dit optreden vindt plaats in een prachtig hofje aan de Steenstraat, één van drukste en meest toeristische straten van Leiden, vlakbij het station. Ik word opgewacht door de hofjeskat die pontificaal in één van de hoezen van de instrumenten ligt terwijl hij de boel goed in de gaten houdt.

De opstelling bestaat uit conga's, bongo's, een djembe, een oed (een soort luit), een drumstel en een basgitaar.

Het publiek komt binnen en zoekt behoedzaam naar schaduw om vervolgens vooral over de kat te praten.

Dan komt de band op en neemt plaats onder de partytent. De kat houdt het voor gezien. Osama wenst ons van harte welkom en zonder verdere omhaal begint de band te spelen. De bassist (Shihaab Sharhabil Ahmad)  speelt mooie lange lijnen onder een heel verhaal van Osama op de oed. De oed klinkt heerlijk fris en helder.

Tijdens het tweede nummer blijkt Shihaab ook een zanger te zijn; later leer ik dat het lied voor zijn vader is. Alle vier de muzikanten zijn van vele markten thuis. Drummer John Maasker pakt net zo makkelijk de conga erbij. Osama speelt prachtig op de djembe en is een begenadigd zanger. En de percussionist (wiens naam ik helaas niet kan terugvinden op de site van het Hofjes Festival) wisselt uiteraard voortdurend van instrument.

De rollen lijken steeds te wisselen. De bongo voelt soms als het hart van de ritmesectie terwijl de drum eerder de spannende accenten legt. Soms ligt het melodieuze verhaal even bij de basgitaar.

De nummers zijn zeer afwisselend, met verschillende Soedanese stijlen en tradities te horen. Sommige liedjes zijn 'echte liedjes' met een kop en een staart. Vaak met een wat weemoedige klank. Maar er zijn ook opzwepende of juist meer berustende percussiestukken zonder enig tonaal instrument.

Het is te warm en te krap (en het publiek misschien net iets te 'klassiek'), maar het is bij de meeste nummers moeilijk om niet op te staan om te gaan dansen.

Ik zit na het optreden vol vragen en Osama is zo goed mij te woord te staan. Ook Shahib komt erbij. Osama en Shahib kennen elkaar al heel lang. Shahibs vader is een beroemde Soedanese muzikant en Osama mocht bij hem komen spelen. Als je klassiek muzikant wilt worden in Sudan kun je naar het conservatorium, dat tamelijk behoudend is en waar je vooral Europese klassieke muziek leert spelen. Traditionele muziek leer je van je familie, of door bij een familie in de leer te gaan. Voordat Osama bij Shahibs vader belandde, leerde hij muziek van zijn ouders. Zijn vader gaf muziekles op school, werkte in het muziekkorps van het leger en schrijft en maakt muziek voor evenementen.

Osama brengt graag tradities en stijlen samen. Sudan is een groot land met invloeden uit Noord-, Midden- en Oost-Afrika. Osama en Shahib komen uit verschillende provincies met verschillende muzikale tradities die elkaar aanvullen.

Deze band voelt aan als een grote familie en ik vond het grote eer daar als gast in te mogen delen. Wanneer spreek je nou zomaar met twee grote Soedanese muzikanten in een hofje aan de Steenstraat in Leiden? (StN)

Ketevan Roinishvili & József Lendvay - Raadzaal, Stadhuis

-
© Alex Sinke Photography

Hongaarse duizendklapper

Ook deze maandag is de artist in residence te bewonderen: Ketevan Roinishvili staat ditmaal samen met Hongaarse violist József Lendvay in de Raadzaal van het Stadhuis. Een zaal waarvan onduidelijk is hoeveel mensen er nog bij mogen - de heen en weer geroepen cijfers over het aantal open plekken komen zeker niet overeen met hoeveel mensen nog binnendringen. Na alle stoelen wordt zelfs de grond onderworpen aan een flink aantal billen (en een uitvouwbare keukentrap). De een zal hier zijn voor de airconditioning, de ander uit nieuwsgierigheid, de volgende omdat hij zich goed heeft ingelezen en weet wat hier te gebeuren staat. De aankondiging in het programma? "Hongaars vuurwerk."

Gister stond Ketevan in kwartetvorm in het Heilige Geesthof, vandaag speelt ze met József, in zijn zondagspak, het Duo voor viool en cello (1914) van Zoltán Kodály. Vuurwerk is geen understatement, vanaf de eerste streek mag de veiligheidsbril al op wegens overvliegende vonken. Na de spetterende entree raken de twee instrumenten verstrikt in een dialoog, waarin ze elkaar afwisselen in geplukt begeleiden en melodie, telkens beginnend met een kleine terts. Dit gebeurt zo geraffineerd dat het spel soms een onnavolgbare pingpongbal is. Af en toe belanden viool en cello samen in een unisono, om weer uiteen te vallen, maar nooit laat het zijn grip op de luisteraars los. Niet iedereen is ontvankelijk om gegrepen te worden, blijkt uit een meneer die zijn fluistertechniek nog moet verfijnen: "Dit houd ik geen half uur vol." Nee, Kodály staat er veelal niet om bekend in afspeellijsten als 'Classical Study Music to Focus' te staan.

Alle klassieke regels zijn overboord: we klappen vandaag gewoon tussen de delen door. Het Adagio, deel twee, begint met een aanzwellende cello, die steeds verder de diepte opzoekt, waaruit langzaam de viool op komt krabbelen. De muren van de Raadzaal dragen adequaat alle contrasten binnen de muziek; in dynamiek, stijl en gevoel. Het is soms ongelofelijk dat je maar twee muzikanten ziet in deze draaikolk van geluid, want de instrumentatie lijkt zoveel dikker. De zwermerige muziek gedijt op zijn onvoorspelbaarheid, maar is uitgevoerd met dusdanige souplesse dat niks willekeurig klinkt. Nog steeds zijn we gegrepen - eigenlijk zitten we in het midden van een muzikale ontvoering, maar weten we dat we veilig thuis komen. We betalen het losgeld via bewondering.

Ook in het derde deel bewaart József zijn vederlichte zwaarte; Ketevans geheimzinnige warmte vindt gelukkig ook hier een plek. De dialoog gaat ook weer verder, met herkenbare elementen uit de vorige twee delen, zoals de kleine terts aan het begin van de melodie. Een ander motief zijn de repetitief gestreken noten, zowel in de melodie als in de begeleiding. We slaan een andere kant op: waar de muzikale instructie eerst maestoso, statig, was, versnelt hij nu naar een presto. Uiteindelijk voelt het alsof we naar een Hongaarse variant van een Tom&Jerry-achtervolging kijken, waarin viool en cello achter elkaar aan razen én om elkaar heen dansen. Na het slotakkoord laat de grip los, en voor het eerst applaudisseren we daar waar het heurt. Maar eerlijk? Geen ovatie is overmatig voor het spel van Ketevan Roinishvili en József Lendvay. (YvdR)