
Openluchttheater De Pinkenberg in Velp is uitverkocht deze zaterdagavond 22 augustus. Er zijn 350 kaartjes verkocht en het publiek zit schouder aan schouder op de houten bankjes in het theater in het bos. BOT speelt hier WAAN, hun nieuwe seizoensvoorstelling.
Een bus, een caravan, een hokje met een golfplaten dak, een schommel en een wip staan op het podium - ze lijken erg goed te passen op deze lommerrijke plek. Lekker vakantie, lekker ‘even helemaal weg’. Dan begint de caravan te bewegen, er verschijnt een persoon in een berenmasker en we horen gemompel uit het busje. Een campinggast? Een verwarde man? Hij begint met het plaatsen van de pootjes van de caravan, het neerzetten van de barbecue. Maar waar dit nog het begin van een rustgevende vakantie zou kunnen zijn, ontaardt deze beginscène vrij rap in een gekmakende sequentie aan acties en liedjes.

De laatst mogelijke vraag
Normaliter gebruik je het woord ‘wezenloos’ als je een voorstelling níet zo goed vindt. Maar als de voorstelling de vraag oproept hoe je je moet verhouden tot de huidige tijden - inclusief het absurde wereldnieuws dat elke dag op je afgevuurd wordt en hoe murw gebeukt je je daardoor kunt voelen - dan is geïnterpreteerde wezenloosheid een passende grondhouding voor een stuk. Eentje die het verhaal dient.
WAAN verhaalt niet en het verhaalt wel. Als je BOT nog niet kent, dan raakt de voorstelling je al puur door het spektakel, het technisch vernuft van het decor en zelfgebouwde muziekinstrumenten, door de goede liedjes en door de wilde handelingen van de spelers, vaak dwars door elkaar heen. En als je BOT iets beter kent, dan kan WAAN je raken door het niet per se aanwezige narratief dat je psyche er toch zelf wel van smeedt.
Je kunt de voorstelling beschrijven als voornamelijk absurdistisch, een serie gebeurtenissen waar verrassing en ontregeling regeert - dat zet onze gevoelens ook al aan het werk. Maar je kunt ook vier mensen met een caravan zien die, op weg een sleur te ontvluchten, hopen te belanden op een plek waar de geest even kan ademen. Om er vervolgens achter te komen dat ze zo op zichzelf (met hun murwgebeukte geesten) zijn aangewezen dat de waanzin de overhand krijgt. Maar dan rijst de vraag: is een waanzinnige reactie op een waanzinnige wereld niet gewoon een logisch voortvloeisel, een dus gelegitimeerde gekte? ‘Wat kún je immers nog zeggen en doen?’ lijkt een verwarde vraag, maar is de laatst mogelijke vraag in een getikte situatie.

Benauwing in opbouw
Zo wordt de plek waar de caravan staat een verbeelding van alle hoeken waar je geest je heen kan drijven in gekmakende situaties. Er zijn pogingen tot loskomen, tot samenkomen, tot individuele verlossing, tot tijdelijke kneuterigheid zelfs. Maar de lamgeslagenheid blijft - ondanks alle verwoede pogingen - de boventoon voeren. Woorden worden onafgemaakte zinnen, worden gezegde liedjes, worden schreeuwgezangen, worden halve ruzies, verdwijnen weer tot enkel het gezoem, gekraak of gepiep van apparaten overblijft. De voorstelling zit zeer ingenieus in elkaar en de spelers hebben elkaar nodig: voor het bedienen van de draaiende wipwap, voor het instandhouden van de beat die het kinderfietsje voortbrengt. En zelfs als het niet vlekkeloos gaat, wordt het alleen maar mooier.
Zo kennen we BOT: vier spelende kinderen in een snoepwinkel van zelfgebouwde instrumenten en bewegende decors. Maar bij WAAN zijn dat dan wel kinderen uit zichtbaar problematische thuissituaties, want - anders dan bij een aantal eerdere voorstellingen, zoals RAMKOERS - zit er weinig lichtheid en speelsheid in dit spel. Er is verdriet, angst, razernij, ergernis en de benauwing neemt (ondanks enkele tijdelijke opklaringen, ‘ja hoor, het gaat wel weer even’) alleen maar toe.

Is de tekst van liedjes en monologen dan belangrijk in zo’n absurdistisch theaterstuk? Wat je wil. Maar juist als je je afvraagt of er nou echt geen bewust narratief in zit en je eigen geest al met je op de loop gaat, is de tekst een sleutel tot begrip van de voorstelling. Er wordt vrijwel geen zin afgemaakt. ‘Kunnen we niet… zouden we niet… moeten we niet…?’ Het zijn pogingen tot acties, tot beslissingen, maar de suggestie wordt gewekt dat elke actie toch wel verdwijnt in de grote bak van zinloosheid in deze absurde tijden. Ook de volgende logische stap, de aan wanhoop grenzende boosheid, ‘als je het weet, dan moet je het zeggen… zeg het dan!’ past als overtreffende trap in het verdwijnen van al onze goede bedoelingen in het grote nutteloze. Alle emoties die wij menselijkerwijs in ons dragen zijn niet opgewassen tegen de waanzin van nu.
Neem mij maar met je mee
Dit besef lijkt ook het idee achter de besluitende scène. In een klein hokje dat zowel lulligheid (‘wc hier om de hoek’) als dreiging (de surveillancecamera ziet alles) ademt, schuilt het viertal tegen de regen (dezelfde camera blijkt ook deprimerende weersomstandigheden in zich te dragen) en kijkt met lege ogen naar buiten. De vier spelen en zingen een lied waarvan de tekst voornamelijk ‘neem mij maar met je mee’ luidt, wat klinkt als een verlossend antwoord in liefde of als een gelaten doodswens. Samen schuilen tegen onophoudelijke regen kan ons een schamele verlossing bieden - hoewel één van de spelers juist op dat moment zijn waanzin niet meer de baas is. Met bewegingswoede verlaat hij molenwiekend het toneel.
Waar narratief ontbreekt, begint vrijheid aan interpretatie. En ook overinterpretatie is een symptoom van ontregeling, precies datgene wat absurdistisch theater probeert te bewerkstelligen. BOT kondigde in een eerder interview al aan dat meer absurdisme een mogelijke weg voor hun toekomstige voorstellingen zou kunnen zijn en getuige het steeds absurdere wereldnieuws is dat inderdaad misschien de enig mogelijke weg voorwaarts. In theater en buiten theater. Als wereldleiders al karikaturen zijn, kun je ze niet meer tot karikatuur maken. Het enige wat je nog kunt doen is waan met waan bestrijden.



















