
Wat een weekend was het op het Noordplein. Bluegrass Festival schoot van gruizige one-manband naar Congolese grooves, van jumpblues naar kleinkunst en van circlepit naar een warme eindjam. Wij deden verslag van drie dagen vrolijke ontsporing.
Vrijdag
VAN TASTIK
Hij komt het podium op in een pak dat iedereen hier vandaag te warm zou vinden, maar een beetje muzikant blijkbaar kan hebben. VAN TASTIK draagt de muziek uit van strottenhoofd tot tenen. De one-manband laat zien dat punkattitude begint bij de maniakale bezieling van bluegrass, aangejaagd door gruizig gitaargeweld. Gitaar, drums en een tamboerijn aan de voet: alles tegelijk en messcherp. Tijdens dat schouwspel blijft VAN TASTIK gelukkig zitten. Zeker wanneer hij vijf bezoekers het podium oproept om bij de laatste nummers het ritme te verzorgen, terwijl hij met de swagger van een outlaw over dood en vervlogen liefdes zingt. Voor het slotnummer stapt hij het podium af om met het dansende publiek te zingen onder de brandende zon.
Cat Lee King & His Cocks
‘We don’t play bluegrass whatsoever’, zeggen Cat Lee King & His Cocks aan het begin van hun set. Nee, inderdaad: ze spelen swingende, groovy jumpblues. Alsof je een fiftiesband uit de platencollectie van je coole oma vist en iedereen daar ook nú nog verliefd op wordt. De haartjes strak in de brylcreem, het ritme nog strakker. De piano jengelt door en laat het festival, na het zwaardere geweld van VAN TASTIK, lichtvoetig dansen. The Cocks zijn niet bang om de sambaballen tevoorschijn te halen en iets met een latinrandje te spelen op deze zomerse dag.
The Hooten Hallers
The Hooten Hallers zijn er voor het vuigere werk dat je normaal verwacht in een zweterige, net iets te donkere zaal. De door blues bezeten gitaar en saxofoon houden iedereen licht op de been, terwijl de bewegingsruimte kleiner wordt. Maar dat is alleen maar goed: iedereen danst met iedereen op deze vrijdag. De sax blijft blazen tot er rook uit het koper komt, de drums slaan keihard door. Soms klinkt de gitaar funky, terwijl diezelfde gitarist zijn stem uit de goot lijkt te trekken, waardoor er af en toe een vleugje psychobilly binnensluipt.
Dreamboats
Je waant je in de spookachtige straten van New Orleans met bendeleider Johanna als gids door straten en stegen. Samen met haar band behekst ze het publiek. De New Orleans-jazz schakelt terug na alles wat we vandaag al gehoord hebben, maar is minstens zo intens. De contrabas houdt onverstoorbaar het ritme vast, de twee steelguitars geven het geluid een rauwe rand. Sax en klarinet zorgen voor mysterie en bezwering, trombone en trompet zetten het geheel kracht bij. Ook tekstueel blijft het duister: ‘I know the devil and the devil knows me’ en ‘rats in the walls of New Orleans’. Door Johanna’s soul krijgt dat iets eigens, waardoor het publiek dromerig dansend de avond tegemoet gaat.
Bridge City Sinners
Bluegrass Festival is niet voor de purist, laten we dat even voorop stellen; het is divers en eigenzinnig. Neem je die criteria, dan kom je uit bij Bridge City Sinners. Deze excentriekelingen onder leiding van frontvrouw Libby Lux staan aan het einde van een lange tour door Europa, maar op het Noordplein is daar weinig van te merken. De bezetting is typisch bluegrass: contrabas, steel guitar, banjo’s en natuurlijk de fiddle. Tegelijk kijken we naar doorgewinterde punks die er niet voor terugdeinzen een circlepit open te gooien, ook al gaat dat ten koste van het provisorisch in elkaar gezette hekje voor het podium. Een pit op Bluegrass Festival: onverwacht, maar zeker niet onaangenaam. Tijdens de show is er even aandacht voor een aanzoek in het publiek. Lief natuurlijk, waarna Libby niet geheel ontoepasselijk de set hervat met ‘Devil Like You’: ‘Folks, think twice before you say I do.’ Even later komen ook alle Dreamboats voor het laatste nummer het podium op. Met zweet op de grond, opengebroken hekjes en een heleboel liefde in de lucht kunnen we stellen dat de vrijdag van Bluegrass Festival is geslaagd.

Zaterdag
Jonny Fritz
De zaterdag begint minimalistisch: een gitaar, een korte broek en een doorleefde stem die eindeloos verhalen kan vertellen. Jonny Fritz bewijst dat hij, als hij niet zingt, prima door kan als comedian. Als hij wel zingt, laat hij horen dat country misschien wel het meest verhalende genre is. Muzikaal grapt Jonny dat veel van zijn nummers hetzelfde klinken. Nou ja, gelukkig is het vocaal dik in orde. Waar we dit weekend worden platgegooid met nummers over bourbon, en Jonny ook zingt over broken bottles, bezingt hij zijn liefde voor thee. Ook de liefde komt langs: ‘This song is for seven exes all at once. Not all at once, just seven in one song.’ Na de zeven exen verschijnen richting het einde nieuwe koppen op het podium. The Hackensaw Boys spelen, hoewel ze nog nooit eerder met Jonny hebben gespeeld, zomaar mee. Jonny is zelf ook verrast: ‘This is great. Imagine the whole set was like this.’
The Hot Seats
The Hot Seats brengen vlugge snaren, maar ook de gekste conceptuele verhalen. Niet voor niets vergelijkt de band zichzelf met Frank Zappa. Sonisch gaat die vergelijking niet helemaal op, maar als je een nummer hebt over een zwijn dat mensen opeet in de bossen van Virginia, dan schampt het verhaal toch langs Hot Rats. De band staat compact opgesteld, waardoor het een beetje doet denken aan O Brother, Where Art Thou?. Vocaal is het in ieder geval beter dan George Clooney. Tussen al het gegrap, gegrol en vlugge dansen door is er ook ruimte voor protest tegen het kapitalisme: ‘Billionaires, they’re hungry all the time, billionaires, they drink your blood like wine.’
Leadbeaters
De zevenkoppige band zat verstopt in het inmiddels hoog opgeschoten blauwe gras. Verstopt, want tot op de dag van vandaag was niet bekend dat zij zouden spelen. Hogslop String Band moest afzeggen, maar dat Leadbeaters de vervanging op zich neemt, maakt de dag niet minder. Als dit weekend iets bewijst, is het wel dat bluegrass vaak draait om de snelheid van het spel, en wat dat betreft kijken we hier naar grootmeesters. Vooral de fiddle van Moira neemt daarin het voortouw, terwijl achter ons mensen moe maar voldaan raken van al het gedans en geswing. Uitblazen zit er nog niet in, want Daniel van Horsebath komt meespelen met ‘Ramblin’ Man’ van Hank Williams, als ode aan zijn opa. Ook The Truffle Valley Boys stappen in de sneltrein van Leadbeaters.
Kin'Gongolo Kiniata
Kin'Gongolo Kiniata lijkt tussen banjo’s, mandolines en fiddleklanken even de vreemde eend op de line-up, maar blijkt een van de verrassingen van de zaterdag. De Congolese band bouwt zijn groove op zelfgemaakte percussie: glazen kannen die met tandenborstels worden bespeeld, pannen, kopjes en andere alledaagse voorwerpen die samen geen gimmick vormen, maar een onweerstaanbaar ritmisch apparaat. Wie een explosie van traditionele Afrikaanse percussie verwacht, komt bedrogen uit; dit klinkt soulvol, swingend en vooral dansbaar. Nieuwsgierige blikken veranderen langzaam in brede glimlachen en vooraan groeit het enthousiasme met elke groove. Juist op een festival dat draait om traditie laat Kin'Gongolo Kiniata zien dat doe-het-zelfmentaliteit en liefde voor ambacht overal vandaan kunnen komen.
Truffle Valley Boys
Het kleine podium lijkt gebouwd voor de Truffle Valley Boys. Geen bombast, geen grote show, maar vier muzikanten uit Kentucky die met zichtbaar plezier de ene na de andere klassieker door de speakers laat schallen. Tussen de nummers door nemen ze ruim de tijd voor praatjes met het publiek; met hun Kentucky-accent klinkt zelfs het alledaagse charmant. Het voelt alsof we zijn aangeschoven bij een jamsessie op een Amerikaanse veranda. Ook het publiek past zich moeiteloos aan dat tempo aan: vooraan wordt aandachtig geluisterd, achterin zachtjes bijgepraat. Tijdens de breakdowns komt de band los, wanneer de muzikanten één voor één naar de gedeelde microfoon stappen voor een solo. Vakmanschap, maar dan zonder poeha.
Della Mae
Bij Della Mae zit de sfeer er meteen goed in. De Amerikaanse band staat zichtbaar vrolijk op het podium en neemt de ruimte over alsof ze hier al dagen speelt, wat min of meer klopt: ze hangen blijkbaar al even in Rotterdam rond. Voor het podium is het minder ontspannen. Het is druk, gezellig en soms bijna onmogelijk iemand te vinden die niet door de set heen kibbelt. Toch snijdt Della Mae daar soepel doorheen, met strak gespeelde bluegrass, uitbundige momenten en gitaarlijnen die de drukte bij elkaar houden. Een cover als ‘Come On Risin’ Man’ laat het publiek alsnog losbarsten. Niet alles is even hoorbaar, zeker niet tijdens een gospelachtig moment, maar de band speelt door met vanzelfsprekende energie.

Zondag
Cat Clyde
Cat Clyde opent de zondag rustig, bijna ingetogen: geen grote gebaren, geen haast, maar meteen een sfeer die zich langzaam over het publiek uitrolt. Vanaf het moment dat ze begint te zingen, is het raak. Haar stem heeft een lichte snik, breekbaar maar precies gecontroleerd, en doet af en toe denken aan Adrianne Lenker: open, vertellend, net buiten de zin nog nagloeiend. Muzikaal beweegt de set soepel tussen surfachtige grooves, funky randjes en soulvolle momenten, zonder zijn rust te verliezen. Het publiek wiegt mee van links naar rechts, precies in dat gemoedelijke tempo.
Lucky Fonz III & Henhouse Prowlers
Lucky Fonz III staat op het podium alsof het de meest logische plek ter wereld is om vrolijke gedachten rond te strooien. Samen met de Henhouse Prowlers ontstaat een losse, speelse kruisbestuiving tussen kleinkunst en bluegrass. De set schakelt moeiteloos van ‘Streets of Baltimore’ naar ‘De Vlieger’ van André Hazes, en ineens zit je midden in een onverwachte quizvraag: een Amsterdammer die voor Feyenoord is. Publieksparticipatie is hier geen onderdeel van het programma, het ís het programma. ‘Door door door’ wordt luid meegezongen, al lijkt de band te denken dat het over een deur gaat. Als ‘Kom van dat dak af’ losbarst, zingen zelfs de Henhouse Prowlers mee. Licht absurd, maar onweerstaanbaar aanstekelijk.
Later op de dag staan de Henhouse Prowlers opnieuw op het programma, nu met hun eigen set. Binnen de bluegrass-scene is het een bekende naam, en dat voel je aan het publiek: er wordt zichtbaar uitgekeken naar hun terugkeer. De focus schuift richting internationaal repertoire, met een Frans nummer, Arlo Guthries ‘City of New Orleans’ en flarden van Gerard Cox’ 't Is Weer Voorbij Die Mooie Zomer. Een opvallend moment is ‘Mambo Sudani’, dat de band leerde spelen op een boot vol vluchtelingen die wachtten op asiel. Midden tussen alle lichtvoetigheid geeft dat de set onverwacht gewicht: een herinnering dat bluegrass, hoe vrolijk ook gebracht, altijd geworteld blijft in verhalen van onderweg zijn.
Bluegrass Boogiemen
De Bluegrass Boogiemen zijn zo’n vaste waarde op Rotterdam Bluegrass Festival dat het bijna vreemd zou voelen als ze er niet zouden staan. Dit is al hun dertiende editie op veertien, en dat hoor je: geen band die komt invallen, maar familie die de zondag afsluit. Rondom de condensatormicrofoon wordt gemanoeuvreerd alsof die zelf meespeelt, terwijl solo’s warm applaus krijgen en vrienden blijven aanschuiven. De zangeres van Della Mae, Maxim van Porchville Stringband, de Truffle Valley Boys en zelfs Bridge City Sinners duiken op alsof het één grote doorlopende jamsessie is. Als het tempo nog één keer omhooggaat, dendert de laatste bluegrass over het terrein. Daarna is het klaar, maar niet voordat iedereen onderdeel was van dezelfde warme stoelendans.



