Met Museumnacht klinken er negentien concerten door Leidse musea. Drie redactieleden rennen de binnenstad door naar optredens. We gaan van Lakenhal tot Hortus, van “electro Korean music” tot muziekfilosofietheater en van klassiek tot altrock.
Step-We-Ceilidh-Band - Beestenmarkt
We beginnen deze Museumnacht op de Beestenmarkt. Burgemeester Heijkoop, Peter de Tweede, opent met een korte toespraak: “Kunst, cultuur, wetenschap: het komt vanavond allemaal bij elkaar. Blijf ook na Museumnacht musea bezoeken!” Daarna toont hij lef, participatie en zijn dansmoves door mee te doen met het openingsoptreden. Bij dit soort groepsdansen beweegt zo de hele gemeenschap mee - van eenvoudig burger tot Kroonvertegenwoordiger.
We brengen namelijk een cèilidh (bezoek) aan een Schotse interactieve groepsfolkdanssessie begeleid door de Step-We-Ceilidh-Band. Deze act was de keuze van de Schotse programmeur. De burgemeester danst bepaald niet alleen: de cirkel van dansers heeft een diameter van zeker zestig meter. Voor wie verwacht dat die volksdansen simpel moeten zijn om iedereen mee te laten doen: er bestaan recepten met minder instructies. De caller, die de dansen uitlegt en begeleidt, moet dan ook schipperen: “Als het een puinhoop wordt, stoppen we even". Dat gebeurt een paar keer, ook omdat de caller zich soms vergist.
Door alle uitleg is weinig tijd om te dansen met muzikale begeleiding. Bij het tweede nummer, ‘Strip the Willow’, is de intro precies hetzelfde als die van de Americana-folksong ‘Oh Susanna’. De dans begint met een lange rij dames en heren tegenover elkaar, maar het gaat er hier zachtzinniger aan toe dan bij een wall of death. Tot slot wordt er gedanst op ‘Strip the Willow‘. Ondanks occasionele chaos en verwarring hebben de dansers duidelijk craic, zoals de Ierse buren zeggen. (RvN)
Béla Bartók door Domonkos Hegyi - Museum De Lakenhal
Domonkos Hegyi opent met de eerste sonate van Haydn. Een lichtvoetig en speels stuk dat het publiek langzaam de avond in trekt. In de moderne Kunsthal van Museum De Lakenhal staat de piano in een hoek van de ruimte, omsingeld door aandachtige luisteraars. Zelfs een gezin met jonge kinderen, die normaal gesproken geen moment stilzitten, lijkt volledig tot rust te komen onder Hegyi’s spel.
Na de sonate staat hij op met een vleug bravado om het publiek welkom te heten, waarna hij verdergaat met een klein maar dromerig stuk van Schumann. Vooral in de snelle arpeggio’s toont Hegyi een opvallende souplesse: lichtvoetig, maar altijd gecontroleerd.
Dan volgt het zwaartepunt van zijn optreden: Variaties van Béla Bartók. Hegyi vertelt vooraf nog dat Bartók het stuk componeerde op slechts 21-jarige leeftijd, een detail dat de technische veeleisendheid alleen maar indrukwekkender maakt. Hij neemt plaats achter de piano. Zijn handen trillen licht wanneer hij naar de toetsen reikt. Toch trekt hij ze nog eenmaal terug om diep adem te halen voordat de eerste noten vallen.
Vanaf dat moment ontvouwt zich een stuk dat constant van gedaante wisselt: grillig en dansend, dan weer dromerig of juist robuust. Meerdere keren bouwt Bartók toe naar een climax, maar juist in de meest hectische passages blijft Hegyi opvallend beheerst spelen. De snelheid gaat nooit ten koste van de helderheid; iedere noot blijft hoorbaar.
Na de laatste uitbarsting blijven zijn handen nog even natrillen boven de toetsen voordat hij soepel neerdaalt in de afsluitende akkoorden. Pas wanneer hij opstaat verschijnt er een tevreden glimlach die zich nauwelijks laat verbergen. Even later keert hij nog één keer terug voor een toegift van Prokofjev. (SASS)
Nina Yanson - Museum De Lakenhal
Voor het schilderij van het Leids Ontzet, midden in de Leidse zaal van Museum De Lakenhal, staat Nina Yanson klaar met gitarist Kamael Hagbi aan haar zijde. De afgestudeerde van het Conservatorium van Amsterdam opent met haar single ‘The Prettiest Girl’. In de warme muzikale overgangen klinken echo’s door van Olivia Dean en Lianne La Havas.
Het tweede nummer begint met een loop waarin ze via de microfoon zelf een kick en snare neerlegt, waar Hagbi vervolgens Spaans overheen groovet. ‘One Day Left’ voelt als een vakantiedag die je krampachtig probeert vast te houden. Tegen het einde van het nummer verandert de sfeer wanneer Yanson de dwarsfluit oppakt. De entree van het instrument legt plots een rust over de zaal.
Daarna volgt ‘My Diary’, een nummer over iemand denken te kennen, maar diegene toch nooit volledig kunnen lezen. Midden in het lied begint het publiek spontaan mee te klappen. Yanson reageert met een glimlach die verraadt dat ook zij door het moment wordt meegesleept.
Via de looper en dwarsfluit vloeit het optreden over in ‘Stuck on the Overview’. Hier krijgt de set een zwaardere ondertoon. Yanson vertelt hoe dubbel het kan voelen om je thuisland te moeten ontvluchten: de opluchting van veiligheid tegenover het gewicht van verlies en vervreemding.
Die thematiek mondt uit in het afsluitende ‘Lully Lullay’, dat ze opdraagt aan kinderen die met die gevoelens moeten leven. Yanson zingt verhalend en kwetsbaar, bijna alsof ze een slaapliedje fluistert. In haar stem klinkt soms zelfs iets van country door. Misschien toeval, misschien niet, maar wanneer ze ‘Lully Lullay’ zingt, klinkt het haast alsof ze “lonely” zegt — een pijnlijke dubbelzinnigheid die nog even in de ruimte blijft hangen. (SASS)
KASSETTkafé - Museum De Lakenhal
"Dit is een douchegordijn", staat à la Magritte op het oranje decor geschreven. Het Leidse muziektheatercollectief KASSETT presenteert een interactieve filosofische voorstelling in een ongedwongen setting: een nieuw KASSETTkafé. Het pleidooi tegen puur probleemoplossend denken wordt echter pas in het laatste deel van de voorstelling duidelijk.
Het thema van filosoof Gerko Tempelman lijkt lang het shower argument te worden: een discussie in je hoofd met een denkbeeldige tegenstander, die je altijd inmaakt. Oukje den Hollander (zang) en Rutger Martens (elektrische gitaar) begeleiden de voorstelling met nummers van hun album ‘Ballad of Bodie’ en ‘Dark Turn of Mind’ van folkzangeres Gillian Welch. Ze is onder andere bekend van muziekodyssee-verfilming O Brother, Where Art Thou?
Regisseur Frank Siera leest tussendoor voor hoe hij shower arguments hield na het einde van een lange vriendschap. Pas toen hij daar niet meer over maalde, maar "terwijl Albert Einstein en ik elkaar zedig inzepen…” en Frank vrijuit probeerde te denken als Einstein, lukte het hem om weer wat origineels te bedenken. Dat verband wordt echter in een paar zinnen gelegd, dus uw scribent moest dit als shower reminiscence achteraf construeren. Het zet je dus wel aan het denken.
Gerko legt via filosoof Hannah Arendt uit hoe belangrijk het is om niet alleen problemen op te lossen (cognitie) maar ook te dromen en te mijmeren (denken). Daaruit ontstaan creatieve ideeën en kunst. Een wijze les voor ons allemaal, de volgende keer dat we onder de douche stappen. (RvN)
nuMori - Wereldmuseum Leiden
Zelfs voor een casual luisteraar is het meteen duidelijk: nuMori (“nieuw ritme”) speelt geen pure K-pop. Gepolijste idols, meertalige teksten, enorme bands, duizelingwekkende choreografieën: die hebben ze thuisgelaten. De vier noemen hun genre electro Korean music. Het is een mix van K-pop met traditionele Koreaanse percussie, verhalen vertellen met zangeres en drum, blues, elektronica, psychedelia en heavy metal. In de praktijk pakt dat een stuk (blues)rockier uit dan verwacht, met lange instrumentale gitaarsolo’s van de frontman als in psychedelische rock.
Deze Zuid-Koreanen spelen in de open vlakte voor het Wereldmuseum in oer-Nederlands weer: motregen en windvlagen. De regen dreigt steeds hun keyboard in te lopen en voor de minirok van de speelster lijkt het nogal fris. De stem van de zanger is al aangeslagen: hij is niet altijd even zuiver en blijkt tussendoor te hoesten. Maar echte artiesten geven nooit op, dus staan ze er: the show must go on.
De andere twee bandleden zijn twee percussionisten: de een op de gongachtige kkwaenggwari en de ander op twee djembé-eske zijwaartse trommels: janggu. Vooral die laatste bespeler is watervlug. Ze spelen met vier tot zes leden (vaak hebben ze een leadzangeres) en vandaag staan ze er dus als viertal. (RvN)
Headfirst - Hortus botanicus
Zoals vaker krijgt Headfirst de taak om de avond in de Hortus af te sluiten. Een rol die de band inmiddels moeiteloos lijkt te dragen. In de schemerige tuin vraagt frontman Duncan Veeren — verscholen onder een capuchon en achter een bril — het publiek om dichter naar voren te komen. Nog voor het eerste nummer echt op gang komt, is de voorste rij al gevuld.
Vanaf het begin leunt de set op groove en samenspel. De band klinkt strak zonder steriel te worden; overal is zichtbaar hoe goed de muzikanten op elkaar zijn ingespeeld. Soms zingen bandleden zacht mee met Veeren, alsof de nummers zelfs achter de instrumenten nog blijven doorzingen.
Vooral in ‘Fall Into’ komt de kracht van de meerstemmigheid goed naar voren. De nummers van hun laatste album ‘Alright, Nothing Left’ krijgen live meer gewicht dan op plaat: voller, directer en met meer ruimte om te ademen.
Ook speelt Headfirst nieuw materiaal. Bij één van die nummers verruilt de toetsenist zijn toetsen voor een saxofoon. Het nummer vertraagt de set en geeft Veeren de ruimte om zijn stem volledig centraal te zetten. Zonder de grotere uithalen van eerdere nummers klinkt hij hier juist op zijn sterkst.
Na dat ingetogen moment werkt de band langzaam toe naar een laatste climax. De Hortus krijgt nog één keer alles voorgeschoteld: swing, warmte en een band die volledig op elkaar vertrouwt. Een passend slotstuk voor een avond die voortdurend tussen intimiteit en uitbundigheid bewoog. (SASS)
Loose Grip - Molenmuseum De Valk
Jammer genoeg is het optreden van Loose Grip niet in Molen De Valk, zoals bij eerdere edities, maar in een tent ernaast. De organisatie vond de ruimte te klein en wilde toeschouwers ook een plek bieden om mee te doen aan een borduurkunstwerk.
Zoals ze aankondigen maken de vijf "muziek om bij te dansen", vooral tijdens de middellange instrumentale delen. Bij muziek van Loose Grip zorgt iedereen voor in- en output. Focus je dus vooral niet te veel op de individuen die toevallig dat instrument bespelen, maar op het geheel. Je kunt dit totaalmuziek noemen, zoals je in de jaren zeventig totaalvoetbal had. Hun muziek is “een blend van al hun stijlen en interesses“, en net als bij Prince zijn dat er veel. De Utrechters spelen een mengeling van funk, jazz, alt- en psychedelische rock en elektro. Niet alleen qua genres hebben ze wel wat weg van hun plaatsgenoten van Salamander, ook met de trompetsolo’s van Kaz Winter.
De technisch sterke ritmesectie valt op: drummer Jasha Le Mair speelt strak en energiek, terwijl bassist Elmo Wanders in een prachtige retro beige jaren-tachtig-regenjas een jazzy fundament legt. Tijdens het slotnummer komen gitarist Daan von der Dunk en zangeres Isa Lauren Bekker naar voren om midden in de halve cirkel van het publiek te dansen. Dat nummer (vermoedelijk 'Hi-tech') is het meest rockend én het dansbaarst. Over verregend glanzend asfalt, dat in een Blade Runnersfeertje de reclamelichten weerspiegelt, haasten de toeschouwers zich naar huis, dromend van deze talentvolle band. (RvN)