Ronald Giphart volgde Blaudzun anderhalf jaar voor de biografie In het spoor van een popicoon

Ronald Giphart: “Ik wilde een band volgen”

-
  • Nina Suijkerbuijk

Ronald Giphart liep anderhalf jaar lang mee met Johannes 'Blaudzun' Sigmond voor de biografie Blaudzun - In het spoor van een popicoon. Giphart schreef ruim vijf notitieboekjes vol en verzamelde uren aan interviews. De lezer krijgt inzicht in de persoon Blaudzun, maar ook een spoedcursus muziekindustrie, met Giphart als gids én proefkonijn. We spraken met Giphart over zijn ervaringen toen hij het boek schreef en de periode na het afronden ervan.

“I’m with the band”, zei Ronald Giphart na anderhalf jaar in de schaduw van Blaudzun te hebben gestaan. “Dat vond ik echt zó leuk om te zeggen.” Giphart ging mee op tour, sleepte koffers, rolde kabels uit en zat zelfs in de appgroep van de Utrechtse band. “Ik wilde me ook een beetje als bandlid gedragen”, vertelt hij. “Het is zelfs gebeurd dat mensen dachten dat ik de tourmanager was.” Niet slecht voor iemand die vooral was meegekomen met een notitieboekje en een gezonde hoeveelheid bewondering.

Het is Bevrijdingsfestival 2024 in Rotterdam. Op het hoofdpodium van het festival bereidt Blaudzun zich voor met een line-check, een technische controle voor een optreden. Ronald Giphart, die inmiddels al een aantal maanden in zijn schaduw observeert, kijkt vanaf de zijlijn toe. Dat is in principe zijn taak: kijken. Schrijvers noemen dat research. Crewleden noemen dat blijkbaar niksen. Wanneer iemand van de crew ziet dat hij daar staat, krijgt hij een aantal kabels in zijn handen gedrukt. Of hij die even naar de juiste plek wil brengen.

Eenmaal op het podium verstijft hij. “Met de toekijkende massa besef ik wat het psychologische effect moet zijn dat zo’n enorme hoeveelheid mensen alles volgt wat je doet”, schreef hij hierover in zijn boek. “En dan sleep ik alleen maar met kabels.”

-
Blaudzun
© Lisanne Lentink

Hij was mijn slachtoffer.

Ronald Giphart

Nu, ruim twee jaar later, praat hij nog steeds over die wereld alsof hij er nét uit is gestapt. Recent stond Giphart nog in TivoliVredenburg, bij Blaudzuns theatertour. Maar dit keer “gewoon weer” in het publiek. “Zoiets blijft toch imposant.” Hij wendt zijn blik af. “Hoe daar zo’n twee meter lange vent...” Zijn handen schieten de lucht in. “Die dan in z’n eentje voor een grote zaal staat.” Een bewonderend knikje. “Prachtig.” Je zou denken dat iemand na anderhalf jaar dezelfde nummers te hebben gehoord daar op een gegeven moment immuun voor wordt. Niet Giphart. “Sterker nog, als mensen mij vertellen dat ze Blaudzun niet kennen, voel ik soms haast een religieuze behoefte om ze te overtuigen om ernaar te luisteren.”

“Neem nou dat nummer ‘Real Hero’.” Zodra het ter sprake komt, begint hij met zijn voet te tikken op de grond. Zijn hoofd beweegt op het ritme van een lied dat alleen hij hoort. “Pa, pa, pa”, zegt hij, terwijl zijn handen een denkbeeldige gitaar bespelen. “Nou, als hij dat speelt...” Hij schudt zijn hoofd en glimlacht. “Tranen in mijn ogen.” Er floept een lachje uit. “Je kan wel merken dat ik fan ben hè?”

-
Ronald Giphart voor en Blaudzun op het podium.
© Lisanne Lentink

Op de vraag of hij als schrijver niet een beetje bevooroordeeld is, haalt hij zijn schouders op. “Maakt mij helemaal niet uit!” Objectief wilde hij het sowieso niet laten zijn. “En omdat ik de hoofdpersoon ben, kan ik alles schrijven wat ik wil.” Bovendien was deze biografie van oorsprong ‘een cadeautje aan zichzelf’. Niet iets in opdracht, maar gewoon omdat hij er zin in had. Het leven is te kort om alleen achter de schrijftafel te zitten, dus hij besloot: “Ik ga een band volgen.” Dat hij ongelofelijk fan was van Blaudzun, kwam goed uit. Het was ideale schrijfstof voor zijn romans, en steevast nummer één in zijn Spotify Wrapped. Toen Johannes Sigmond, de man achter Blaudzun, na een enkele ontmoeting ook nog eens een aardig mens bleek te zijn, wist Giphart genoeg. “Hij was mijn slachtoffer”.

Wat doet een manager eigenlijk?

Ronald Giphart

Zo werd de deal gesloten: overal waar Johannes was, volgde Giphart. En plots stond hij in een wereld die voor hem vrijwel onbekend was. Het begon allemaal met repetities, opnames en de eerste shows. In een hoek van de ruimte stond Giphart met een notitieboekje in zijn hand alles in zich op te nemen. Hij krabbelde elk detail op dat hem opviel. Wie deed wat? Wat stond er op het podium? Noteren: één achtste maat. Later even googelen. Professioneel meekijken heet dat dan.

In het boek schrijft hij: “Wat doet een manager eigenlijk?”, vraag ik, want eerlijk gezegd zou ik de verschillen tussen een manager, een producer en een boeker niet weten. Phil, de toenmalige manager, klikt zijn e-sigaret aan en wijdt me vervolgens een halfuur lang in de fascinerende wereld van de popindustrie.

-
Blaudzun en Giphart in gesprek.
© Lisanne Lentink

Dat hij niet meteen als volleerd muziekkenner binnenkwam, bleef niet onopgemerkt. “Onderling hebben we wel vaak om je gegniffeld”, gaf Johannes in het boek toe. “Want voor een schrijver die veel heeft meegemaakt leek je toch ontstellend weinig van onze wereld te weten. ‘Hij speelt niet dat hij domme vragen stelt’, zeiden we tegen elkaar. ‘Hij weet het gewoon niet.’”

Uiteindelijk schreef Giphart ruim vijf notitieboekjes vol en verzamelde hij uren aan interviews. Genoeg materiaal om de complexe rituelen van de muziekindustrie langzaam te ontcijferen, of in ieder geval om bij de volgende repetitie iets minder verdwaald te kijken. Na een aantal maanden was hij behoorlijk wegwijs. Als roadie, spullensjouwer, waterhaler of stemmingmaker. Of als zevende bandlid, zoals hij het zelf noemt. Zo kreeg ook de lezer een spoedcursus muziekindustrie, met Giphart als gids én proefkonijn.

-
Blaudzun en een deel van zijn band: Jakob Sigmond, Danny van Tiggele (op de rug gezien) en Tom Swart.
© Lisanne Lentink

Ik wil dat je het achterste van je tong laat zien.

Ronald Giphart

De band was meteen aardig, vertelt Giphart. “Met hen klikte ik eigenlijk direct.” Maar Johannes was een ander verhaal. “Ja, die was toch wat ondoorgrondelijk.” Intimiderend misschien? “Ja”, zegt hij zonder aarzeling. “Ik ben niet snel geïntimideerd, maar ik vond hém wel intimiderend.” Niet ideaal als je net hebt besloten om iemand anderhalf jaar lang van dichtbij te volgen.

Maar als Johannes zich niet zomaar liet lezen, moest Giphart dichterbij komen. “Ik had aan het begin tegen hem gezegd: ik wil het wel op mijn manier doen.” Dat betekende overal bij zijn. Ook bij de mindere momenten. “En ik wil dat je het achterste van je tong laat zien.”

“Ja, toen zijn we heel diep gegaan.” De luchtigheid verdwijnt even uit zijn stem. Giphart leunt achterover en zoekt zichtbaar naar de juiste woorden. “Iedereen die groot succes heeft meegemaakt in zijn vakgebied, weet wat dat met je doet. Het verwachtingspatroon van mensen…”

Neem een optreden in Gent. Na afloop zat Johannes in de kleedkamer, nadat er iets was misgegaan tijdens de show.

“Zuchtend zegt Johannes iets wat ik niet versta, maar wat niet positief klinkt. ‘Ik vond het enorm meevallen’, zeg ik. ‘Je loste het ook uitstekend op, niemand heeft er iets van gemerkt.’ Hij zegt: ‘Ik heb er iets van gemerkt.’ Als hij in stilte een tijdje zijn haar en gezicht heeft drooggedept, vraag ik waarom hij vanmiddag een paar glazen whisky heeft gedronken, terwijl hij mij zelf heeft gezegd dat sterke drank voor een concert slecht is voor zijn stem.

Meteen als ik mijn woorden heb uitgesproken, besef ik een fout te hebben gemaakt. Het is een zeikerige retorische opmerking, niet een vraag die een vlieg op de muur zou moeten stellen aan een worstelende zanger die net afgemat van het podium is gekomen. Blijkbaar vindt Johannes dat ook, want in één ruk veert hij half op van zijn stoel en wijst met zijn rechterarm woest naar de deur van de kleedkamer. ‘Eruit,’ roept hij. ‘Eruit.’”

-
© Lisanne Lentink

Ik denk dat het gevoel van zelfkritiek overal hetzelfde is.

Ronald Giphart

Wanneer Giphart het verhaal navertelt, verschijnt er een bescheiden glimlach. “Ja, dat was mooi voor het verhaal.” Maar hij wist ook dat hij te ver was gegaan. Zijn rol was duidelijk: fly on the wall. “En de fly on the wall moet zich een beetje stilhouden.” Alleen begon deze vlieg in Gent toch even te zoemen. “Je moet als reportageschrijver wel echt je plek kennen.”

Afstand houden was inmiddels sowieso al een onmogelijke taak. “Ik wilde dat ook helemaal niet!” Wanneer Johannes een zaal plat speelde, voelde Giphart trots. Ging het mis, dan zat er een knoop in zijn maag. Hij hoopt dat dat ook in het boek voelbaar is. “Dat ik behoorlijk veel mededogen met Johannes heb.”

Want achter het succes zag Giphart ook iets anders. De druk, de zelfkritiek, het gevoel dat het altijd beter moet. Veel muzikanten gaan volgens hem aan succes onderdoor met zelfdestructieve neigingen, iets waar Johannes ook mee heeft geworsteld. Hij vergelijkt het met Joost Zwagerman, met wie hij een tijd heeft getourd. Een goede avond betekende vaak een sombere autorit naar huis. “Hoe beter het ging, hoe slechter hij zich voelde.”

Giphart kijkt even op. Dat herkende hij ook in Johannes. “Ik denk wel dat onder kunstenaars, schrijvers en muzikanten de emotie van zelfkritiek overal hetzelfde is.” Ook voor zichzelf is dat gevoel niet helemaal vreemd. “In het begin van mijn schrijverschap heb ik heel veel boeken verkocht. Depressiviteit heb ik niet gehad, maar ik ken wel het gevoel dat zelfkritiek soms met je doet.”

Dit gevoel zit hem volgens Giphart niet alleen in twijfel, maar ook in controle willen houden. Johannes trekt zijn eigen pad, merkte hij. Als hij iets wil weten, dan vraagt hij het wel.  “En dat is exact zoals ik ook werk. Ik ben de baas.” Die houding kreeg Johannes ook terug. “Hij zat de hele tijd maar te vissen of hij iets mocht lezen.” Giphart hield de boot af. “Dan zei ik: ga jij je platenbaas al iets laten horen als je nog niet tevreden bent?” Hij lacht. “Op een gegeven moment had ik het eerste hoofdstuk geschreven. En toen heb ik hem dat laten lezen.” Tot zijn opluchting viel dat goed. Bovendien was er vanaf het begin maar één duidelijke afspraak: “Hij mocht achteraf alles schrappen.” En is dat gebeurd? “Nee.”

-
Blaudzun en Giphart backstage
© Lisanne Lentink

Ik heb er in zo’n proces weinig aan om veel over mezelf te delen.

Ronald Giphart

Wanneer het gesprek op hun huidige band komt, moet Giphart lachen. Ooit kregen ze tijdens een publiek interview dezelfde vraag voorgelegd: zijn jullie vrienden geworden? “Dus ik zei: ’ja hoor’.” Johannes koos een iets andere formulering. “We gaan heel vriendschappelijk met elkaar om.”

Pijnlijk? “Nee hoor”, lacht hij. “Kijk, hoe ouder je wordt, hoe minder vrienden je hebt. Dat is een soort emmer die vol zit.” Misschien waren de omstandigheden ook niet ideaal. Anderhalf jaar lang liet Johannes zich bekijken, bevragen en beschrijven, terwijl Giphart zijn eigen kaarten liever tegen de borst hield. “Dat heeft hij mij later wel verweten”, zegt Giphart. “Dat ik niks met hem deelde.” Hij glimlacht. “Maar ik heb er in zo’n proces weinig aan om veel van mezelf te delen.”

Nu het erop zit, kunnen de rollen eindelijk omdraaien. Johannes kwam daar later nog eens op terug, vertelt Giphart. Hij was blij dat het boek nu ein-de-lijk af was. Niet omdat hij genoeg had van de interviews of de aandacht eromheen. Maar: “Nu kan ik Ronald ook eens vragen gaan stellen.”